Mitsu-no-sen: drie vormen van initiatief

Het go-no-sen is op dit moment een populaire keuze voor danexamens. Het bestaat uit minder handelingen vergeleken met het nage-no-kata en katame-no-kata, waardoor judoka hiervoor kiezen. Het kata bestaat uit twaalf kaeshi-waza (overnames). Hierbij is vooral het moment van de overname belangrijk, maar helaas zijn hier geen duidelijke richtlijnen voor. In dit artikel meer over de verschillende momenten van overnemen.

Geen duidelijke richtlijnen

Mikonosuke Kawaishi
Mikonosuke Kawaishi

Het is niet met zekerheid te zeggen waar het kata is ontwikkeld. Mikonosuke Kawaishi schrijft in het boek The Complete Seven Katas of Judo dat op de Waseda Universiteit het kata is ontwikkeld. In Nederland wordt door sommige mensen gesteld dat Kawaishi het kata zelf heeft ontwikkeld. Dit is uiterst twijfelachtig. Het is waarschijnlijker dat Kawaishi het go-no-sen in Europa heeft verspreid.

Het go-no-sen is geen Kodokan kata. Er zijn dan ook geen duidelijke internationale richtlijnen die worden bijgehouden en er is weinig historische informatie bekend over het kata. Kawaishi beschrijft het kata in zijn eerder genoemde boek. Echter deze richtlijnen laten veel vrijheid voor eigen interpretatie.

Dit blijkt ook uit verschillende uitvoeringen van het kata op YouTube. Sommige judoka voeren het go-no-sen in beweging uit, anderen uit stilstand. In weer andere uitvoeringen maakt uke de eerste keer de worp, waarna tori de tweede keer de worp van uke overneemt.

Lees voor meer informatie over de historie van het kata het onderzoek Kōdōkan jūdō’s three orphaned forms of counter techniques – Part 1: The Gonosen-no-kata ―“Forms of post-attack initiative counter throws door Carl de Creé.

Richtlijnen voor Nederland

De Judo Bond Nederland heeft voor de danexamens richtlijnen op laten stellen. Deze richtlijnen staan in de Handleiding go-no-sen (Berber Roorda en Mark Bette i.s.m. de Nationale Graden Commissie Judo).

Het voordeel van het vaststellen van richtlijnen is dat het duidelijk wordt hoe een kata kan worden uitgelegd (leraar), uitgevoerd (examenkandidaat) en beoordeeld (examinator). De richtlijnen in Nederland zijn mogelijk strikter dan de originele richtlijnen van het kata met als doel duidelijkheid voor iedereen.

Er is helaas nog een verschil in interpretatie binnen Nederland. Het verschil gaat over het juiste moment voor het uitvoeren van de overname. Deze discussie schept verwarring voor leraren, examenkandidaten en examinatoren. Wat soms uitmondt in teleurstellingen als een judoka hard heeft getraind voor een dangraad, maar zakt voor het examen door een verschil in interpretatie.

Helaas geeft de laatste versie van de richtlijnen (maart 2015) ook geen volledige duidelijkheid. Er wordt gesproken over “tori moet een laat initiatief demonstreren en moet dus wachten op het LAATSTE moment voor een effectieve overname”. Dit is niet meetbaar en kan door iedereen anders worden uitgelegd en begrepen.

Discussie van het moment

De discussie gaat dus over het moment van de overname. In het go-no-sen is verrassend go-no-sen het moment dat de worp moet worden overgenomen. Dit is gebaseerd op mitsu-no-sen, de drie vormen van initiatief.

Deze drie momenten zijn go-no-sen, sen en sen-sen-no-sen. In bijvoorbeeld kendo worden deze momenten veelvuldig gebruikt. Een voorbeeld hiervan kan worden verkregen in het boek Het boek van de vijf ringen van de beroemde Japanse zwaardvechter Miyamoto Musashi. Andere mooie voorbeelden staan op diverse Kendo-sites.

Ook in het boek Judo Formal Techniques (hoofdstuk 6) van Tadao Otaki en Donn F. Draeger staan de momenten beschreven.

“Kano recognized three levels of combative initiative (sen): (1) go no sen, the ‘late’ form of attack initiative, usually characterized as a defensive move or counteraction; (2) sen, the attack initiative that is also defensive but launched simultaneously with the aggressor’s attack; (3) sen-sen no sen, a supraliminal attack initiative, also defensive but appearing to be offensive, through which the aggressor’s attack is anticipated and ‘beaten to the punch’ by an appropriate action.”

Op basis van bovenstaande bronnen ben ik tot de onderstaande interpretatie van de drie momenten gekomen.

Go-no-sen

Hiza-guruma
Hiza-guruma 膝車 → hiza-guruma 膝車

Uke zet een aanval volledig in. Tori kan alleen nog reageren op de aanval van uke met een verdediging in overeenstemming met de aanval van uke. Tori maakt tai-sabaki of blokkeert en neemt het initiatief over door middel van een overname. Er kan een korte strijd plaatsvinden om de weerstand van uke te overwinnen. Dit hoeft niet indien tori de energie van de aanvaller gelijk tegen uke gebruikt.

Een voorbeeld met strijd in randori is uke die een koshi-guruma inzet. Tori blokkeert de worp door het verlagen van zijn zwaartepunt, terwijl uke zijn worp blijft inzetten. Als tori het genoeg vindt, maakt hij of zij tai-sabaki en werpt met tani-otoshi. Uiteraard had tori ook direct tai-sabaki kunnen maken en overnemen met tani-otoshi. Dit laatste is een voorbeeld van go-no-sen zonder strijd.

Sen (of sen-no-sen)

Uke begint zijn aanval. Als aan de bewegingen van uke duidelijk wordt dat hij of zij een worp inzet, reageert tori met het nemen van het initiatief. Tori kan voorkomen dat uke zijn of haar worp volledig inzet door het maken van een eigen worp. Tori reageert dus niet verdedigend op de worp van uke, maar is uke voor met een eigen worp.

Bijvoorbeeld als uke diep ademhaalt en zijn of haar rechterarm losmaakt voor een seoi-nage. Op het moment dat de arm is bevrijd, reageert tori met een seoi-nage. Uke krijgt geen kans om de seoi-nage volledig in te zetten, want tori is uke voor.

Sen-sen-no-sen

Voordat uke kan starten met het inzetten van een worp, zet tori een worp in. Tori anticipeert dat uke op het punt van aanvallen staat en is uke voor. Het verschil met sen is dat uke nog niet begonnen is met zijn of haar aanval. Het idee is wel al reeds geboren in het hoofd van uke.

Tori “voelt” dat uke gaat aanvallen en start een eigen aanval voordat de aanval van uke echt is begonnen. Tori kan ook een aanval uitlokken van uke en dan reageren met voorbedachten rade. Uke heeft dan het gevoel dat hij zelf aanvalt, terwijl het initiatief eigenlijk bij tori ligt.

Het juiste moment

In het kata is dus go-no-sen het juiste moment van initiatief. Hierbij is het belangrijk dat tori reageert op de aanval van uke met een overname en daarbij kan een strijd plaatsvinden. Het reageren zal veelal gebeuren met een vorm van tai-sabaki of hara.

Bijvoorbeeld bij de eerste techniek waar uke aanvalt met een o-soto-gari, kan tori eerst blokkeren. Vervolgens vindt er een korte strijd plaats, voordat tori een vorm van tai-sabaki maakt en werpt met o-soto-gari.

Echter is het volgens bovenstaande uitleg ook go-no-sen als tori de worp direct overneemt met een o-soto-gari zonder een korte strijd, door mee te gaan in de aanval van uke. Het is pas “fout” als tori reageert op de o-soto-gari voordat uke de worp volledig heeft ingezet. Het gaat er namelijk mijns inziens om bij go-no-sen dat tori reageert op de aanval van uke en deze aanval gebruikt voor zijn of haar overname.

Tot slot

Voor de judoka die binnenkort danexamen doen, adviseer ik het bijwonen van de districtstrainingen voor duidelijkheid over de richtlijnen. Hopelijk gaat jouw judoleraar mee, zodat hij of zij ook op de hoogte is van de laatste ontwikkelingen.

Op deze trainingen wordt idealiter de interpretatie volgens de richtlijnen van de Nationale Graden Commissie Judo van de Judo Bond Nederland gevolgd. Het doel is steeds kleinere interpretatieverschillen door goede naslagwerken en eenduidige bijscholing. Hierdoor komen leraren, examenkandidaten en examinatoren op één lijn.

In dit stuk heb ik getracht mijn interpretatie van het begrip “go-no-sen” toe te lichten. Dit doe ik op persoonlijke titel. Mijn interpretatie geeft een  meetbare definitie van go-no-sen, maar laat vrijheid over voor de uitvoerder. Zo waren de twaalf overnames wellicht oorspronkelijk bedoeld.

Een ruimere definitie van go-no-sen biedt mogelijkheden voor tori en uke in het variëren in aanvallen en overnames (intensiteit, tempo, etc.). Het go-no-sen kan door een gevorderde judoka zelfs sen-no-sen worden beoefend. Op deze wijze kan meer worden geleerd van het kata.

Uiteindelijk zijn kata bedoeld om belangrijke principes over te dragen. Hierbij is de vraag of het go-no-sen over riai (onderliggende principes) beschikt of een willekeurige verzameling overnames is, maar hierover wellicht een volgende keer meer.

In ieder geval kan een judoka in het go-no-sen leren dat hij tot op het “laatste” moment niet verloren is en nog een worp kan overnemen. Daarnaast kan tori ervaren dat uke mogelijk zijn spirit verliest, als tori niet opgeeft en onbeweeglijk lijkt.

Ben je het eens of oneens? Of heb jij interessante informatie die het bovenstaande artikel aanvult? Laat het vooral hieronder weten middels een reactie. Mijn doel is een duidelijk omschrijving van het begrip go-no-sen, zodat er minder verwarring is onder judoka. Vooral met het oog op danexamens.

Het gevaar van katawedstrijden

Afgelopen weekend waren de IJF KATA World Championships 2015 in Amsterdam. Er was veel aandacht voor kata en ik zag veel positieve reacties van judoka. Zoals eerder gezegd in deze blog ben ik een voorstander van de katawedstrijden als promotie van kata. Echter in dit artikel wil ik ook een aantal gevaren benoemen die katawedstrijden met zich mee kunnen brengen. Door het benoemen van deze gevaren kunnen judoka deze valkuilen vermijden.

Het doel heiligt de middelen

Jigoro Kano heeft kata ontworpen als de grammatica van het judo. Door het bestuderen van kata bestuderen judoka de basis van belangrijke concepten zoals kuzushi (balansverstoring) maai (gevechtsafstanden) en atemi-waza (slag-, stoot- en traptechnieken).

Het kata is niet ontworpen om onderling te vergelijken. Dit maakt het jureren erg lastig. Wanneer is het kata van het ene koppel beter dan het andere koppel? Bij een examen kun je uit een kata enigszins aflezen hoeveel de judoka ervan begrijpt, maar waar let je op bij het vergelijken van kata in competitieverband?

Als het kata is bedoeld voor het bestuderen van de basis van judo, dan kan veel worden geleerd door experimentatie. De judoka kan variëren in afstanden, tempo, timing, richting, intensiteit, etc. om de principes van judo te doorgronden. Het doel van kata is een beter begrip van judoprincipes, waarop beoordeel je dan twee katakoppels die allebei een prachtig kata uitvoeren en begrip van de principes demonstreren?

Het voelt soms alsof je een spijker met een schroevendraaier in het hout slaat. Met enige moeite kan het wel, maar de schroevendraaier dient eigenlijk een ander doel. Het kata is niet ontworpen met als doel het winnen van medailles. Daarom moet niet alleen worden gekeken naar wat medailles oplevert, maar vooral wat het beste de principes seiryoku zen’yō en jita kyōei uitdraagt.

Vorm of inhoud

In een eerder artikel over Waarheden en illusies schreef ik over omote en ura. Het gaat bij kata niet alleen om het zichtbare, maar ook wat er verborgen ligt in kata. Het gevaar van wedstrijden (en examens) is dat judoka gaan focussen op omote, het zichtbare van kata. Dit is namelijk wat de jury bij wedstrijden het eenvoudigst kan beoordelen.

De judoka lopen dan een prachtig kata en de oefeningen verlopen vlekkeloos, maar is dit nog kata? Hebben ze door intensieve studie ura (het verborgene) in het kata ontdekt of kunnen zij alleen de buitenkant (omote) prachtig nadoen?

Ju-no-kata op WK KATA 2015
©IJF Media door G. Sabau

De nadruk ligt hierop ‘nadoen’. De serieuze judoka doorgrond het kata volledig, zodat het geen toneelstuk is. De judoka is de belichaming van het kata. Het kata voelt niet langer als een paar aangeleerde stappen, maar het voelt alsof ze het zelf hebben bedacht. Alle bewegingen voelen logisch en natuurlijk. Ze denken niet meer na over het uitvoeren van de handelingen. Vorm en inhoud vallen samen.

Als een judoka alleen focust op de vorm (het zichtbare, omote) dan worden weinig van de voordelen van kata benut. Het zal dan ook maar een relatief kleine bijdrage leveren aan de ontwikkeling van de judoka. Vooral door bestudering van omote (het zichtbare) en ura (het verborgene) samen kan een judoka groeien.

Kata zonder vorm is namelijk geen kata. Kata zonder inhoud is doelloos. Vorm en inhoud vullen elkaar aan en kunnen niet zonder elkaar. Bij katawedstrijden is het de kunst dat vorm niet de bovenhand krijgt, maar samen gaat met de inhoud.

Eenzijdige training

Een ander gevaar is dat de training eenzijdig wordt. Jigoro Kano heeft het kata op dusdanige wijze ontworpen dat de grammatica van het judo op systematische wijze kan worden aangeleerd aan grote groepen judoka. Hij vond het beoefenen van kata en randori allebei belangrijk.

Echter zijn er ook judoka die alleen maar focussen op hun ‘eigen’ kata. Zij oefenen geen randori meer, maar bereiden continu voor op katawedstrijden. Het is als de grammatica leren van een taal en vervolgens nooit schrijven of spreken in die taal. De vraag is of dit zinvol is.

Hetzelfde geldt voor judoka die alleen een bepaalde rol binnen het kata beoefenen. In de Kodokan (Tokio, Japan) moet een examenkandidaat het kata uitvoeren als tori en uke. Dit omdat een judoka het kata alleen kan begrijpen als beide rollen worden bestudeerd. Het is dan ook zonde als voor wedstrijden (of examens) alleen de rol van tori wordt bestudeerd.

De judoka die tegen elkaar strijden hebben naast randori ook baat bij kata. Judoka die samen aan katawedstrijden deelnemen hebben naast kata ook veel aan randori. Het vinden van een goede balans tussen beide trainingsvormen is belangrijk. Je kunt uiteraard wel de focus verleggen, maar dan het liefst zonder het verwaarlozen van de andere trainingsvorm.

Slotwoord

Dit artikel is absoluut geen pleidooi voor het afschaffen van katawedstrijden. Ze brengen plezier aan veel judoka. Daarnaast is het een prachtige manier voor het uitwisselen van kennis over judo en het maken van nieuwe vrienden.

Een voorbeeld is de demonstratie van Cees Roest met zijn aangepaste versie van het nage-no-kata. Er zijn vele opnames gemaakt en ik weet zeker dat veel andere landen dit aangepaste kata voor judoka met een beperking (dwarslaesie) gaan bestuderen. Daarnaast zit aan het WK vaak een seminar gekoppeld waar experts de kata in detail uitleggen en ook dieper ingaan op het omote en ura van kata. Een mooie bijdrage aan de ontwikkeling van judo wereldwijd.

Echter wil ik mijn angst delen voor de degradatie van kata tot louter een wedstrijdsport met medailles. Ik denk dat katawedstrijden een belangrijke bijdrage leveren aan de populariteit van kata, maar we moeten niet het oorspronkelijke doel van kata vergeten. Het kata is bedoeld voor het bestuderen van judo. Laten we dus vooral met veel plezier katawedstrijden organiseren zonder het doel te vergeten.

De promotie van kata

Komend weekend staan de IJF KATA World Championships 2015 op het programma. Nederland heeft dit jaar de eer om dit kampioenschap te organiseren in Amsterdam. De wedstrijden in kata leveren een belangrijke bijdrage aan haar populariteit, maar er valt nog veel winst te behalen. In dit artikel wil ik op basis van het AIDA-model analyseren of we het kata beter kunnen ‘verkopen’.

Kata is samen met randori een enorm belangrijke pijler van het judo. Daarom vind ik het goed dat de kampioenschappen WK Kata worden gecombineerd met de WK Veteranen. Omdat kata belangrijk is voor het judo en veel voordelen biedt heeft het de voorkeur dat alle judoka in aanraking komen met kata.

Kata is een belangrijke pijler van judo

Over het nut van kata voor het bestuderen van judo kan heel veel geschreven worden. In dit artikel wil ik daar niet op focussen, maar een korte toelichting is noodzakelijk. Jigoro Kano, bedenker van het judo, noemt in zijn boek Mind over Muscle kata de grammatica van het judo.

“Daarom gebruiken we twee manieren van onderricht: kata (vorm) en randori (vrije oefening). Toen ik de Kodokan oprichtte, ontwikkelde ik een methode die de nadruk legde op randori en waarbij kata op een hele vanzelfsprekende manier aan de orde kwam tijdens de randorioefening. Het is zoiets als een opstel leren schrijven zonder grammaticaboek, of de grammaticaregels aanleren tijdens het schrijven van een opstel. In de tijd dat er maar een paar mensen deelnamen aan de training was dat niet zo’n probleem, maar toen er steeds meer beginners op de mat kwamen, werd het onmogelijk om kata tijdens randori te leren.”
Vertaling door Mitesco.

Voor het optimaal leren van judo zijn kata en randori nodig. Het kata kan judoka ontzettend veel inzicht bieden. Het geeft bijvoorbeeld het concept kuzushi (balansverstoring) heel duidelijk weer. Hierdoor kan de judoka dit concept ook in randori beter toepassen. Het is niet voor niets dat ook wedstrijdjudoka in Japan tijd besteden aan katastudie.

Het AIDA-model

AIDA-Model
© bsmedia.nl

Het AIDA-model is een model dat in de marketing wordt gebruikt. Het model is niet allesomvattend, maar juist door zijn eenvoud toepasbaar. Volgens het model zijn voor marketing de volgende onderwerpen belangrijk:

  • Attention: de aandacht trekken voor het product
  • Interest: positieve aspecten benadrukken
  • Desire: een verlangen of voorkeur creëren
  • Action: aanzetten tot actie

Attention

Op dit moment komen judoka steeds eerder in aanraking met kata. Vroeger werd kata pas aangeleerd aan judoka vlak voor het danexamen. Nu komen door demonstraties, wedstrijden en seminars judoka eerder in aanraking met kata en er is er veel meer informatie over kata beschikbaar via bijvoorbeeld de boeken op de website van de Kodokan en YouTube. Daarnaast zijn nu meer judoleraren bekend met kata, waardoor er aandacht aan wordt besteed in reguliere trainingen.

Als de aandacht van de judoka is getrokken, kunnen de positieve aspecten van kata worden benadrukt.

Interest

Vroeger werd kata ‘verkocht’ als een noodzakelijk kwaad voor het danexamen. Ergens op een klein hoekje van de mat mochten judoka zelf aan de hand van een boekje studeren. Het is niet vreemd dat judoka op deze manier niet warmlopen voor kata.

Kata kanji
Kanji voor kata

Gelukkig zijn meer judoleraren geschoold in kata en kunnen zij het beter uitdragen naar hun leerlingen. Zij kunnen de voordelen en de samenhang tussen kata en randori uitleggen. Veel judoleraren zien nu in dat kata een belangrijke bijdrage levert aan het technische fundament van de judoka, maar ook op lichamelijk, mentaal en spiritueel vlak.

Als judoleraren het kata op een positieve manier brengen, raken judoka eerder geïnteresseerd. De leraren kunnen benadrukken hoe interessant het is en dat het judo van de judoka er zeker vooruit op gaat. Het is niet langer iets dat moet, maar iets dat leuk en nuttig is. Deze belofte kan zeker waar worden gemaakt door een goede judoleraar. Hij of zij kan het kata op een boeiende en inspirerende wijze brengen.

Echter de judoka moet niet alleen interesse hebben, maar het verlangen krijgen naar het bestuderen van kata.

Desire

De interesse moet verder worden omgezet in verlangen, zodat de judoka het  kata wil bestuderen. Dit kan het beste doordat de judoka inziet waarom voor hem/haar persoonlijk het kata nuttig is. Dit kan voor iedereen anders zijn.

Voor een oudere judoka kan de verdieping in het judo en het lagere risico op blessures worden benadrukt. Voor een jeugdjudoka kan het als een leuke manier van judo worden gebracht. Er zijn bijvoorbeeld succesvolle experimenten met kata voor de jeugd, waarbij op een laagdrempelige manier kennis kan worden gemaakt met kata.

Ook voor wedstrijdjudoka is het kata een verrijking. Bij nage-no-kata worden alle technieken links en rechts uitgeoefend, waardoor het lichaam minder eenzijdig wordt getraind zoals bij veel wedstrijdjudoka het geval is. Ik ken ook wedstrijdjudoka die het ju-no-kata bestuderen voor meer inzicht in het meegaan in aanvallen en het principe van seiryoku zen’yō (maximaal resultaat met minimale inspanning). Dit vertaalt zich in betere technieken, omdat ze meer inzicht hebben gekregen in balansverstoring en dit ook kunnen toepassen in wedstrijden.

Als de judoka kennis wil maken met kata, kan dit verlangen worden benut. De judoka wordt tot actie aangezet.

Action

Op dit moment is het doel dat de judoka kata gaat beoefenen. De beloftes moeten worden waargemaakt. Dit kan door de judoka op een leuke manier kennis te laten maken met kata, bijvoorbeeld door aandacht voor kata in de trainingen of een seminar. Er zijn ontelbare mogelijkheden. Een paar voorbeelden:

  • Nederland staat bekend om het gebruik van een spelenderwijs methodische opbouw voor het aanleren van judotechnieken. Leuke methodieken kunnen ook worden gebruikt voor het aanleren van kata. Begin dus niet met het uitleggen van het kata, maar met het aanbieden van leuke oefenvormen en bouw het langzaam op.
  • Varieer met het aanbieden van kata. Leuke vormen zijn: slow motion, fast motion, less is more (overbodige handelingen weglaten), uke mag weerstand bieden, uke varieert de intensiteit en snelheid van aanvallen, etc.
  • Leg de link tussen randori en kata. Een mooi voorbeeld heb ik geleerd van Richard de Bijl. Hij legt uit dat tsugi-ashi (zie onderstaande video rond 0:50) in het kata een rare manier van lopen lijkt. Echter als vervolgens twee judoka een randori maken, zie je ook dat de judoka vaak één voet voorhouden tijdens het verplaatsen over de mat. Ook kunnen vormen uit het kata worden gebruikt voor het aanleren van technieken, waarna ze direct worden toegepast in randori.

De bovenstaande lijst met voorbeelden kan nog veel verder worden uitgebreid. Ik weet zeker dat het kata voor alle judoka op een leuke en nuttige manier kan worden aangeboden, zodat de judoka het leuk vinden. Op deze wijze bestuderen de judoka dan geen kata, omdat het moet voor een danexamen of wedstrijd. Zij beoefenen het omdat het meerwaarde biedt voor hun judo en ook aantrekkelijk is. Ik heb meerdere kata clinics georganiseerd, gegeven en bijgewoond en vele geïnteresseerde judoka’s leren kennen. Van oud tot jong waren de judoka enthousiast.

Overigens staat op deze blog ook een artikel over De fasen van katastudie. Dit artikel sluit met fase I prima aan op de bovenstaande informatie.

Tot slot

Hopelijk is de Nederlandse selectie zeer succesvol tijdens de IJF KATA World Championships komend weekend in Amsterdam en levert dit weer veel aandacht op voor kata. Maar nog veel meer wens ik dat wij judoka het kata de plek geven die het verdiend binnen het judo en het gebruiken als belangrijk studiehulpmiddel in het verbeteren van lichaam en geest. Als wij judoka en judoleraren bewuster zijn van de unieke kwaliteiten van kata, kunnen we dit beter uitdragen. Op deze wijze kunnen kata en randori elkaar aanvullen, zoals Jigoro Kano dit heeft bedacht. Hopelijk kan dit artikel hier een bijdrage aan leveren.

 

 

Mokuso

Ik begin en eindig mijn budotrainingen met mokuso. Het is Japans voor “gedachten stil maken”. Het wordt ook vertaald als “meditatie”. Zoals met meerdere termen in budo dekt dit maar half de lading. Mokuso is in mijn ogen een enorm belangrijk onderdeel van budotraining.

Schakelaar

Vooral de eerste keer zijn sommige mensen een beetje nerveus of lacherig tijdens mokuso. Dat is natuurlijk niet vreemd. In Japan is het de normaalste zaak van de wereld, maar in het Westen kom je zelden in aanraking met meditatie. Daarnaast wordt het vaak gebracht als iets heel mystieks of speciaals.

Eigenlijk is het niets bijzonders. Het is een soort schakelaar. Voor de training dient mokuso om lichaam en geest voor te bereiden op de training. We proberen ons (huis)werk, zorgen en verlangens los te laten, zodat we met volledige focus kunnen trainen. Aan het eind van de training dient het als moment om weer terug te schakelen naar het dagelijks leven. Het is een overgangsperiode tussen het dagelijks leven en training en omgekeerd.

Mokuso zorgt daarmee voor een effectievere training door het aanbrengen van focus. Dit is ook toepasbaar in het dagelijks leven. Tussen verschillende activiteiten even een kort moment van rust nemen, zodat je vorige taak is afgerond en je volledig kan focussen op de nieuwe taak.

Roze olifant

MokusoWat houdt mokuso dan precies in? Meestal wordt aan het begin en eind van de training alle budoka opgesteld in geknielde zit. Vaak roept de leraar of een leerling mokuso en wordt het rustig. Na een tijd roept dezelfde persoon yame (einde) en is de sessie afgelopen. Tijdens de sessie zit je geconcentreerd met een buikademhaling, maar waar denk je aan?

Misschien kennen jullie het voorbeeld van de roze olifant. De trainer zegt: “denk niet aan een roze olifant”. Het gevolg is dat iedereen automatisch denkt aan een roze olifant. Hetzelfde geldt voor “denk aan niets”. Het is bijna onmogelijk.

Daarom geef ik bij mokuso liever de opdracht “luister hoe druk of rustig het is in jouw hoofd”. Mensen worden dan bewuster van hun gedachten. Vaak als je luistert naar jouw gedachten zonder oordeel, wordt het rustiger in jouw hoofd. Zeker als je vaker oefent, laat je gedachten steeds eenvoudiger los.

Ichi-go; ichi-e

Dave Lowry spreekt in zijn boek “In The Dojo” nog over een andere methode voor mokuso. Hij refereert naar het gezegde “Ichi-go; ichi-e” uit het chado (theeceremonie). Het betekent “één moment; één kans”. Alles in het leven maak je maar één keer mee, want het volgende moment ben jij veranderd en is de situatie anders. Uiteraard geldt dit ook voor trainingen. Daar wil je dus het beste uithalen.

Tijdens mokuso aan het begin van de training stel je de vraag heb ik vandaag van alle momenten voor de training het beste gemaakt? Na de training stel je de vraag, heb ik het beste van de training gemaakt? Als je dit niet gedaan hebt, is het volgende moment of training een nieuwe kans om er het beste uit te halen.

Wellicht worden je gedachten hier niet rustiger van, maar je gebruikt mokuso wel nuttig. Je haalt het beste uit jouw leven en elke training. Daarnaast leer je focus aanbrengen en bewust omschakelen tussen activiteiten. Misschien leer je zelfs waarderen dat alles in het leven veranderlijk is.

Mokuso in het dagelijks leven

Er zitten dus veel voordelen aan het beoefenen van mokuso. Je kunt meer rendement uit de training halen door het aanbrengen van focus. Daarnaast kun je als de geest minder verstoord is door gedachten sneller en spontaner reageren in bijvoorbeeld randori. De samurai van vroeger waren dan ook veel bezig met meditatie. Op het slagveld wilden ze niet denken aan de dood of overwinning. Ze moesten volledig zijn gefocust op het gevecht met de vijand.

Stilte en concentratie hebben ook voordelen in het dagelijks leven. Stress is op dit moment één van de grootste veroorzakers van ziekten en de dood. Door het oefenen van mokuso en het eenvoudiger loslaten van gedachten, zal de stress verminderen.

Daarnaast oefen je in het focussen op de taak waarmee je bezig bent. Dit leidt tot meer rust en vaak zul je de taak beter uitvoeren. Uiteindelijk zul je meer energie voelen en nieuwe inzichten krijgen. Daarom raad ik iedereen mokuso aan als onderdeel van de training.

Yagai-geiko

De gemiddelde dojo voor het bestuderen van vechtkunsten is tegenwoordig een prachtige zaal vol luxe. Ik zie steeds grotere dojo met prachtige verende matten (judo) of een houten vloer (kendo). Trainen in de dojo is praktisch en erg verleidelijk.

Vroeger was alles beter

Vroeger was het echter anders. De trainingen vonden vaak buiten plaats. Veel daimyo (Japanse krijgsheren) konden zich geen speciale dojo veroorloven. De trainingen vonden veelal plaats op braakliggend terrein, binnenplaatsen en veranda’s.

Dit was ook uit andere overwegingen. Weinig gevechten vonden plaats in een mooie overdekte dojo met egale vloer. Het buiten trainen was realistischer door de wisselende weersomstandigheden en het natuurlijke terrein.

Volgens Dave Lowry in zijn boek “In The Dojo” bleven de samurai dan ook buiten trainen, toen de daimyo rijker werden en zich wel een dojo konden veroorloven.

Yagai-geiko of no-geiko

Yagai-geiko (buiten training) of no-geiko (veldtraining) is nu veelal niet meer nodig uit praktische overwegingen. Veel budoclubs en -verenigingen beschikken over een eigen dojo of huren een gymzaal. Buiten trainen is voor sommige vechtkunsten zelfs enigszins onpraktisch. Bijvoorbeeld is bij judo het niet altijd even prettig vallen op gras of zand.

Ik kan toch iedereen het buiten trainen aanraden. Misschien denk je dat buiten trainingen niet zo romantisch is als het bovenstaande fragment uit “The Karate Kid”, maar eigenlijk komt het best dicht in de buurt!

Het oefenen op natuurlijk terrein is een verrijking voor de training. Deze zomer heb ik getraind in een park op een zeer onregelmatig grasveld, terwijl het begon te waaien en druppelen. Ik heb zoveel geleerd over maai (afstanden) en mijn eigen balans. Kata is heel anders zonder judogi en als je het koud hebt.

Ju-no-kata op het strandOok op het strand was een prachtig leermoment. Met een zeebriesje en zand dat wegschuift onder de voeten wordt het ju-no-kata heel anders. Ook hier is het bepalen van afstanden voor de aanvallen veel moeilijker. Het ju-no-kata leent zich trouwens erg goed voor yakai-geiko. Het kan zonder aanpassingen in “normale” kleren en het kata is zonder valbreken.

Nog meer voordelen

Het trainen in verschillende weersomstandigheden op verschillende natuurlijke ondergronden is natuurlijk een groot voordeel. Ook het gebruik van verschillende kleding kan leiden tot aanpassingen en variaties op technieken. Op het strand in een zwembroek is een pakking met revers en mouw onmogelijk.

Denk ook aan het trainen van bijvoorbeeld metsuke. Op het blog van Mitesco staat hier een interessant artikel over.

“Daarom is de opperste concentratie van het judo en aikido een geconcentreerde blik maar geen staren of fixeren. Wanneer je je ogen fixeert, zie je eigenlijk niets meer, en dus is dat gevaarlijk. In de budo wordt nogal eens gesproken over ‘enzan no metsuke’ (遠山の目付け) wat betekent: ‘kijken als naar een verre berg’. Als je naar een berg in de verte kijkt, zie je niet alleen de berg, maar ook de hele omgeving. Met zo’n ‘wijdse’ blik moet je ook met je partner omgaan: goed kijken, zonder je eigen bedoelingen te verraden en alles zien.”

Yakai-geiko kan worden gebruikt voor het oefenen in goed kijken. Niet focussen, maar de hele omgeving waarnemen. Uiteraard kan dit voor alle zintuigen worden getraind. Denk aan het horen van de golven, wind en zeemeeuwen op het strand.

Ga de natuur in

Yagai-geiko of no-geikoUiteraard kunnen er nog veel meer voordelen worden gehaald uit trainen buiten de dojo. Ik wil iedereen uitdagen om uit de heerlijk gekoelde of verwarmde dojo de natuur in te stappen. Het leidt vaak tot verbeteringen op technisch, tactisch, fysiek en mentaal vlak. Ik hoor graag jullie ervaringen via de reacties of een persoonlijk bericht.

Bewuster leven met judoprincipes

Bovenstaande nummer is uiteraard Badlands van Bruce Springsteen. Ik heb “The Boss” live mogen aanschouwen tijdens Pinkpop 2012. Wat een brok energie. Bruce kan als geen ander rake teksten zingen op prachtige muziek en dit overbrengen op zijn publiek. Badlands is één van mijn favoriete nummers van Springsteen. Voor mij gaat dit nummer over het niet uitstellen van het leven tot later, maar genieten van elk moment en controle over het leven nemen.

Het uitstellen van het leven past niet in de Oosterse filosofie. Daar draait het om leven in het nu. Uitstellen lijkt ook in tegenspraak met de principes seiryoku zen’yō en jita kyōei van het judo, die in het dagelijks leven een belangrijke leidraad vormen. Dit licht ik toe verderop in deze blog.

Het is nooit genoeg

MotivatieHet nummer Badlands doet mij dus denken aan hoe mensen soms het leven uitstellen tot later. Dit komt vooral omdat mensen niet tevreden zijn met wat ze hebben, maar steeds meer willen. Mensen die week na week hard (over)werken voor grotere huizen en grotere auto’s.

Het is nooit genoeg. Elke salarisverhoging wordt direct gebruikt voor het kopen van nog meer luxe. Will Smith verwoordt het prachtig: “Te veel mensen geven geld uit dat ze niet hebben verdiend, om dingen te kopen die ze niet willen, teneinde mensen te imponeren die ze niet mogen.” Of zoals Bruce Springsteen het zingt in Badlands.

“Poor man want to be rich
Rich man want to be king
And a king ain’t satisfied
Till he rules everything”

Wellicht is bovenstaande niet op jou van toepassing, maar ik herken er wel iets van in mezelf. Toch weer die gedachte aan een extra gitaar, mooie spiegelreflexcamera of nieuwe boeken. Gelukkig ben ik tevreden met wat ik heb en sommigen vinden mij in een aantal opzichten minimalistisch.

Weinig plezier beleven aan arbeid

Niet heel lang geleden las ik het boek De omgekeerde werkweek van Gerhard Hormann. Hij stelt het drastisch omgooien van de werkweek voor met twee werkdagen en vijf dagen weekend. “Want zodra je eenmaal beseft dat betaalde arbeid niet anders is dan het verkopen van je vrije tijd in ruil voor geld, beleef je er weinig plezier meer aan.”

Het voordeel is dat hierdoor veel vrije tijd ontstaat voor andere zaken, bijvoorbeeld het werken in een eigen moestuin en verlenen van mantelzorg. Hierdoor kan geld worden bespaard op voedsel en de zorg. Maar ook voor het achtervolgen van jouw dromen in plaats van de dromen van een ander. Misschien wil je wel een boek schrijven of vaker genieten van jouw (klein)kinderen.

Niet het leven uitstellen en steeds werken voor meer, maar het optimaal omgaan met jouw energie, tijd en geld. Het boek van Gerhard Hormann bevat geen praktische adviezen, maar wel veel mooie ideeën voor een nieuwe relatie tussen mens en arbeid.

Efficiënt omgaan met middelen

Ik vond het boek erg inspirerend en liet het bezinken. Minder werken betekent minder inkomen. Hoe los ik dit op? Dan halen we Bruce Springsteen en Will Smith er weer bij… niet altijd meer willen. Tevreden zijn met wat je hebt.

Neem bijvoorbeeld een huis. Je kunt steeds een groter huis kopen en vol stoppen met spullen die je nooit of zelden gebruikt en veel tijd steken in het schoonmaken en onderhouden van dit huis. Echter een klein huis met alleen spullen die je veel gebruikt, kost veel minder tijd qua onderhoud en kosten. Het kan ook sneller worden afgelost, hierdoor heb je lagere maandlasten en voila… minder werken!

The things I needEen ander voorbeeld is het opzeggen van het televisieabonnement. De tijd die je bespaart, kun je weer gebruiken voor bijvoorbeeld het lezen van boeken. Er zijn tegenwoordig veel gratis boeken op Internet of je kunt een abonnement nemen bij de bibliotheek. Boeken spreken veel meer tot de verbeelding.

Moet iedereen dit doen? In mijn ogen niet. Misschien heb je geweldig en dankbaar werk, maar ik hoor veel mensen klagen over hun werk. Of mensen die niet bewust kiezen waaraan zij hun kostbare energie, tijd en geld besteden. Iedereen kan voor zichzelf bewuste keuzes maken. Een mooie leidraad hiervoor is het judoprincipe seiryoku zen’yō.

Seiryoku zen’yō

Voor mij bleek weer hoe relevant de filosofie van Jigoro Kano met het judo nog steeds is, ook in het dagelijkse leven. Seiryoku zen’yō, maximaal resultaat met minimale inspanning. Het optimaal inzetten van jouw middelen voor een maximaal resultaat. Daar draait het uiteindelijk om.

Ben jij bewust bezig met de zaken waarvan jij gelukkig wordt? Gebruik je jouw inspanning (en middelen) voor wat jij echt ten diepste van binnen wilt of verspil je dit aan randzaken. Overigens is dit voor iedereen anders. De één wil meer reizen, de ander wil misschien meer tijd doorbrengen met zijn of haar geliefde.

Als je eenmaal weet wat je ten diepste van binnen wilt, kun je kijken wat je daarvoor nodig hebt. Je kunt dan ook besparen op wat niet langer nodig is. Als je bijvoorbeeld gezonder wilt leven, kun je een paar overuren maken voor het betalen van een fitnessabonnement. Maar een andere optie is het verkopen van de tweede auto en op de fiets naar het werk. Van het geld dat maandelijks wordt bespaard, kun je minder gaan werken en meer bewegen in de natuur.

Zo kun je op vele vlakken bewuste keuzes maken. Besteed je jouw inspanning optimaal aan de zaken die jouw gelukkig maken? Of kun je wellicht met minder energie, tijd en geld een beter resultaat halen? Besteed je jouw energie aan het druk maken over het verleden of geniet je van het moment? Besteed je jouw geld aan een groter huis of meer tijd met jouw geliefde? Ga je meer geld verdienen voor een dure vakantie of ga je lekker lang backpacken in het buitenland? De keuze is aan jou!

Jita kyōei

Wellicht zijn er slimme mensen die zeggen als iedereen alleen aan zichzelf denkt volgens bovenstaand principe, dan is het geen leuke wereld. Gelukkig heeft Jigoro Kano daar ook aan gedacht met zijn andere judoprincipe jita kyōei. Hierover schreef ik al eens eerder in het artikel Het amorele systeem waarin wij leven. Het principe jita kyōei wordt uitgelegd als “wederzijdse welvaart voor zichzelf en anderen” of “jij en ik schitteren samen”. Door de uitleg van dit principe is niet iedereen bezig met nut verwerven voor zichzelf, maar ook voor anderen.

Slotwoord

Mijn ultieme doel is dat, door bewuste keuzes te maken, mijn inspanningen volledig bijdragen aan mijn geluk, maar ook aan een betere wereld. Hopelijk geven de principes seiryoku zen’yō en jita kyōei jou ook inspiratie tot het bewust omgaan met energie, tijd en geld. Zodat jouw inspanningen maximaal bijdragen aan het leven van jou en anderen.

Too much ego will kill your talent

“Ego is just like dust in the eyes. Without clearing the dust, we can’t see anything clearly. So clear the ego and see the world.”

Ik train vaak met Bas Bakker, een gepassioneerde vechter met ervaring in vele vechtkunsten. Bas traint onder andere Koryu Ju Jutsu en Araki Ryu. Hij heeft uitgebreid verschillende krijgskunsten bestudeerd en vele andere dojo bezocht voor verbreding van zijn horizon. Wij hebben vaak gesprekken over krijgskunsten en ook het ego komt regelmatig ter sprake.

De ontvanger bepaalt

Wat is er zo bijzonder aan het ego in de krijgskunst? “De ontvanger bepaalt.” Oftewel het ego kan de waarneming van de krijger beïnvloeden door het filteren en kleuren van de waarneming. Zowel de waarneming van zichzelf als de buitenwereld. Op deze wijze kan het ego een enorme belemmering vormen voor de eigen ontwikkeling, omdat men niet volledig open staat voor nieuwe ervaringen en inzichten.

Always remember: too much ego will kill your talent

Too much ego will kill your talentEen goede krijger kijkt kritisch zonder vooroordelen naar zichzelf en zijn systeem (technieken, tactieken, principes, etc.) . Op welke punten worden nog fouten gemaakt of is verbetering mogelijk? Iemand met een groot ego ziet geen fouten, waardoor er weinig of geen progressie plaatsvindt. Als iemand fouten erkent, kan hij of zij verbetering zoeken. Bijvoorbeeld door het leren van andere krijgers en krijgskunsten. Voor het leren van andere krijgers of krijgskunsten moet de nieuwe situatie met een open mind worden benaderd.

Open mind

Observeer zonder vooroordelen en neem zoveel mogelijk alleen de feiten waar. Welke waza (technieken) worden gebruikt? Wat zijn de onderliggende principes van de technieken en krijgskunst? Welke maai (afstand) houden de beoefenaars tussen elkaar in het gevecht? Hoe geeft de sensei (leraar) les?

Selectie op basis van studie

Na open bestudering van nieuwe technieken en krijgskunsten kan men kijken welke principes of technieken geschikt zijn binnen het eigen systeem. Wellicht is daar wel eerst een aanpassing voor nodig.

Jigoro Kano, uitvinder van het judo, nam bijvoorbeeld een aantal technieken één-op-één uit oude ryu (scholen/leergangen) over. Andere technieken werden aangepast voordat ze werden toegevoegd aan het judo en weer andere technieken waren niet geschikt voor judo en zijn dan ook niet opgenomen in het systeem. Maar deze selectie vond pas plaats na uitgebreide studie van de technieken uit de oude ryu.

Evolutie van krijgskunsten

Uiteraard is dit principe toepasbaar binnen elke krijgskunst. Laat het ego niet de reden zijn om niet te leren van andere beoefenaars en krijgskunsten. Van iedereen kan men iets leren, soms hoe het wel moet en soms hoe het niet moet. Zelfs als men ziet hoe het niet moet, kan wellicht inspiratie worden opgedaan voor verbetering van de eigen technieken en krijgskunst. Laat geen kans liggen om van iemand anders te leren, omdat het ego de ander veel beter of slechter vindt.

No limits

Uit onderzoek van de Amerikaanse Napoleon Hill voor zijn boek blijkt dat veel succes komt vlak nadat een persoon er helemaal doorheen zat en wilde opgeven. Ik heb het boek Think and Grow Rich niet gelezen, maar herken het wel uit eigen ervaring met bijvoorbeeld judoën en gitaarspelen.

Het ervaren van een limiet

Er zijn van die periodes dat ik keihard train, maar weinig vooruitgang boek of stilsta. Soms heb ik dan zelfs het idee dat ik achteruit ga. Het voelt alsof ik mijn limiet heb bereikt. Mijn techniek wordt niet meer beter of zelf slechter, nieuwe technieken werken niet goed en mijn fysieke en mentale conditie gaan langzaam achteruit. Het gevolg is teleurstelling, soms zelfs frustratie. Je traint keihard, maar het levert weinig op.

Vertoeven op een plateau

In dit soort periodes is het accepteren van mijn grenzen en opgeven erg verleidelijk. Sommige mensen doen rustiger aan of stoppen zelfs. Toch is het vaak zinvol om op dit soort momenten te volharden en door te gaan met oefenen. Tenslotte doe ik nog steeds ervaring op en anders train ik mijn geest in doorzettingsvermogen en discipline. Of zoals Thomas Edison, uitvinder van de gloeilamp, sprak: “Ik heb niet gefaald. Ik heb enkel 10.000 manieren ontdekt die niet werken.”

Verleggen van een limiet

Bruce LeeHet is een bekend verschijnsel dat vlak voor een grote doorbraak je soms eerst even stil staat of zelfs een kleine terugval hebt. Toch als je eenmaal door volharding blijft trainen, komt er een moment dat je jouw limiet bereikt en overschrijdt. Je ziet nieuwe mogelijkheden en merkt dat je een grote sprong vooruit hebt gemaakt. Je beschikt over betere technieken, nieuwe technieken en je fysieke en mentale conditie verbetert. Je bent klaar voor het opzoeken van de volgende limiet.

Bruce Lee heeft het mooi verwoord: “Als je altijd een limiet plaatst op alles wat je doet, lichamelijk of wat dan ook, dan verspreidt zich dit in jouw werk en leven. Er zijn geen limieten. Er zijn alleen plateaus, daar moet je niet blijven, je moet ze overstijgen.”

Omgaan met een limiet

Wat voor mij goed werkt bij het bereiken van een limiet is een rustperiode of het verleggen van de focus. Denk maar eens aan een dag vol problemen waarop niets wil lukken. Na een goede nachtrust of meditatie, kun je vaak een dag later dezelfde problemen met frisse zin eenvoudig oplossen.

Of een training waarin een worp blijft mislukken. Dan schuif ik het trainen van de bewuste worp op naar een latere training. Eventueel zoek ik thuis nog wat extra informatie op. Een training later lukt het dan vaak direct of het gaat in ieder geval een stuk beter.

Met gitaarspelen ervaar ik hetzelfde. Als het niet meer lukt of goed voelt, dan speel ik soms even een week of langer geen gitaar of ik speel iets compleet anders. Na zo’n periode kan ik dan vaak weer veel beter spelen. Het geheugen krijgt tijd om de vingerzetting op te slaan en je hebt weer veel meer zin en energie. Na een week geen judo of gitaarspelen barst ik van de energie om te oefenen.

Ik maak overigens wel altijd bewust de keuze tijdelijk rustiger aan te doen of de focus te verleggen. Ik doe dit nooit uit teleurstelling of frustratie, maar met een weloverwogen doel en positieve attitude.

Ayrton SennaOp deze wijze kunnen vele limieten worden overschreden. Of in de woorden van de succesvolle autocoureur Ayrton Senna: “Op een bepaalde dag met bepaalde omstandigheden, denk je ‘Ok, dit is de limiet.’ Maar zodra je deze limiet bereikt, gebeurt er iets en plots kun je net een klein stukje verder. Met de kracht van jouw geest, jouw doorzettingsvermogen, jouw instinct en ook ervaring, kun je het ver schoppen.”

Trainen voor het echie

“Een beroemde zwaardvechter bezoekt een daimyo. Bij de daimyo verblijft ook een ronin, een samurai zonder meester, die erg overtuigd is van zijn vaardigheden met het zwaard. De ronin hoort over de zwaardvechtkunsten van de gast en hij vraagt of hij les kan krijgen in zwaardvechten. Met andere woorden, de ronin wil een serieus gevecht. De zwaardvechter wijst de uitdaging af, maar op aandringen van de daimyo geeft de zwaardvechter toe.

In de tuin vechten de zwaardvechter en ronin met houten oefenzwaarden. Bijna gelijktijdig raken de twee strijders met het houten zwaard het lichaam van de ander.
De zwaarvechter zegt: “Begrijp je deze techniek?”
De ronin kijkt erg tevreden over zijn gelijkspel tegen een beroemde zwaardvechter en antwoord: “Ja, het is een gelijkspel.”
De zwaardvechter reageert kalm: “Nee, ik heb gewonnen.”

De ronin vraagt om een tweede gevecht. Dit gevecht verloopt precies hetzelfde, ze raken elkaar bijna gelijktijdig. De ronin zegt wederom dat het gelijkspel is en de zwaardvechter antwoordt dat hij gewonnen heeft.

De ronin wordt kwaad, terwijl de daimyo geïnteresseerd toekijkt en ook de woorden van de zwaardvechter in twijfel lijkt te trekken. De ronin wil nog een wedstrijd, maar nu met scherpe zwaarden. De zwaardvechter wijst de uitdaging af, maar wederom wordt hij overruled door de daimyo.

Voordat het gevecht goed is begonnen, is het voorbij. De ronin valt op zijn knieën met zijn hoofd in tweeën gesplitst. De zwaardvechter loopt naar de daimyo en laat de plaats zien waar de ronin hem elke keer raakte. Alleen zijn bovenkleding is licht gescheurd, maar zijn onderkleding en huid zijn nog volledig intact.”

Het bovenstaande verhaal komt uit het boek Legends of the Samurai van Hiroaki Sato. Naast dat het zeer amusant is om te lezen, denk ik dat er een wijze les in zit verscholen. Je kunt de realiteit niet uit het oog verliezen tijdens het trainen van krijgskunsten.

Houten zwaard vs. scherp zwaard

In het verhaal lijkt de ronin zijn bokken (houten oefenzwaard) gelijk te stellen aan een scherp zwaard. Nu weet ik uit ervaring dat als je niet oplet en een bokken tegen je lichaam krijgt dit heel vervelend is, maar (tot nu toe) niet dodelijk. Ik denk dat weinig mensen er aan twijfelen dat een scherp zwaard in handen van een zwaardvechter dodelijk is.

Een bokken is dus niet gelijk aan een scherp zwaard. Trainen met een bokken is uiteraard een goed alternatief voor het oefenen met een echt zwaard. Het is misschien veiliger, maar verlies de realiteit niet uit het oog.

Trainingswapens

Een praktijkvoorbeeld uit mijn eigen ervaring komt uit het kime-no-kata. In dit kata zit een handeling waarbij het zwaard uit de schede wordt getrokken, voordat een slag wordt gemaakt. Ik oefende dit met een bokken en deed alsof ik de bokken uit een denkbeeldige schede trok, zoals dit is voorgeschreven in het kata. Na een tijd adviseerde iemand mij om te oefenen met een echt zwaard. Het bleek dat ik het zwaard op mijn manier helemaal niet kon trekken, omdat het uiteinde van het zwaard nog steeds in de schede zat. Had ik nooit met een echt zwaard geoefend, dan had ik nog steeds een symbolische handeling uitgevoerd die nergens op slaat. Laat staan als ik op een slagveld had gestaan met mijn zwaard nog in de schede…

Realiteit en zelfverdediging

De realiteit is nog belangrijker als je traint voor zelfverdediging. De kans dat je op straat een zwaard bij je hebt en kan trekken is vrij klein. Ik laat mijn wapens in ieder geval altijd thuis als ik niet ga trainen.

Maar stel je eens voor dat je wordt aangevallen met een mes. Je hebt het kime-no-kata duizenden keren geoefend met een houten mes, dus kent een aantal verdedigingen op mesaanvallen. Je bent vol overtuiging dat je kunt mesvechten. Maar nu blijkt dat met angst het snel wegdraaien (tai-sabaki) van een wapen veel moeilijker is. De adrenaline pompt door je lichaam. Daarnaast blijkt de aanvaller een ervaren mesvechter, hij houdt het mes anders vast en steekt niet recht van voren. De verdedigingen uit het kime-no-kata blijken niet aan te sluiten op de realiteit van nu. Je had misschien liever je geld en horloge gegeven.

Dat is het risico van trainen en de realiteit uit het oog verliezen. Tijdens het oefenen van kime-no-kata staat de aanval vast, dus je weet wat er komen gaat. Daarnaast is het mes van hout, dus de kans op zware verwondingen is klein. Vervolgens blijkt dat de aanvallen uit het kime-no-kata, maar een beperkte selectie zijn uit de vele mogelijkheden met een mes. Daar moet men zich bewust van zijn.

Realisme in trainingen

Hoe kan men dit dan realistischer trainen? Een hele goede optie is ervaren mesvechters zoeken en daarmee oefenen. Zij hebben jarenlang geoefend en zijn meester in hun wapen en zijn realistische tegenstanders die zwakke punten in een aanval of verdediging kunnen aangeven.

Daarnaast kan gebruik worden gemaakt van hulpmiddelen tijdens de training. Bijvoorbeeld door lippenstift te smeren op de scherpe kant van het houten mes, zodat zichtbaar is waar is gestoken, een keer extra moet worden gewassen en het één en ander thuis moet worden uitgelegd. Er zijn zelfs wapens die een kleine elektrische schok geven als ze iets raken, zoals het Shocknife. Hierdoor ontstaat meer angst voor het wapen, omdat het altijd een vervelend gevoel is. Je motoriek reageert heel anders als er angst is voor pijn of onverwachte aanvallen.

Philip K. Dick over realiteitDit zijn maar een paar kleine voorbeelden over realiteit in training. In deze blog is als voorbeeld het kime-no-kata uit het judo en mesvechten beschreven, maar dit principe kan uiteraard worden vertaald naar vele andere situaties. Het is belangrijk dat de serieuze beoefenaar van zijn krijgskunst altijd bezig is met het benaderen van de realiteit en dit doorvoert in zijn of haar trainingen. Anders wordt de training een prachtig toneelstuk met hele mooie bewegingen. Daar is op zich niets mis mee, als je daar bewust van bent. Maar wil je een krijgskunst als zelfverdediging gebruiken of echt begrijpen, dan kun je de realiteit niet weg denken.

 

Het amorele systeem waarin wij leven

Van de week las ik een interview met Joris Luyendijk op de website van Trouw. Hij is een journalist en antropoloog en schrijft veel over de financiële wereld in Londen. Het artikel “Het amorele systeem waarin wij leven” geeft een aantal interessante inzichten op basis van het veldwerk van Luyendijk.

Alles draait om de cijfers

Het artikel beschrijft de tendens om alles uit te drukken in cijfermatige output. Het gaat vaak niet meer om het nut van werk. Luyendijk: “De bezieling is verbannen uit ons werk, de waarde ervan gaat verloren, alles wat overblijft zijn meetbare doelen, cijfers, rendementen, targets.”

Everything that countsVeel mensen herkennen dit in hun werkzaamheden. Ik heb een opdracht uitgevoerd waarbij het belangrijker was dat bepaalde prestatie-indicatoren werden behaald, dan dat de klant tevreden was. Er zijn genoeg medewerkers in Nederland die hun manager trotst horen spreken over het behalen van goede cijfers, terwijl ze dagelijks voornamelijk gefrustreerde klanten aan de telefoon hebben.

Ook in het nieuws zijn veel voorbeelden te vinden. Denk aan de topsalarissen van (bank)directeuren, het afknijpen van chauffeurs door PostNL en de streeftijden in de zorg.

Het sturen op cijfers kan blind maken, waardoor mensen amorele beslissingen nemen die leiden tot immorele resultaten. “De waarde van het werk wordt niet meer bepaald door het nut ervan, maar door de cijfermatige output. Neem de publieke omroep. Voorheen luidde de opdracht aan een programmamaker: volg wat er gaande is in de wereld en maak daarover een uur goede televisie. Nu: je moet 17 procent binnenhalen van de mensen in de leeftijdscategorie 25 tot 40 in het tijdslot van 21.05 tot 22.00 uur. En dat is de publieke omroep. Maar wanneer hebben we daarvoor gekozen, wanneer hebben we in verkiezingen gezegd dat we deze amorele koers willen volgen?”

Seiryoku zen’yō

Nu moest ik bij het lezen van het interview denken aan de principes van het Japanse judo, seiryoku zen’yō en jita kyōei. Seiryoku zen’yō is het streven naar “maximaal resultaat bij minimale inspanning”. Het is niet toevallig dat Kaizen, JIT en LEAN allemaal hun oorsprong in Japan vinden. Het is natuurlijk fantastisch om efficiënt om te gaan met energie en dit in het bedrijfsleven cijfermatig weer te geven. Echter moet dit moet wel nut hebben en niet alleen voor jezelf. De uitvinder van judo voorzag dit en formuleerde daarom nog een belangrijk tweede principe.

Jita kyōei

Het principe jita kyōei wordt uitgelegd als “wederzijdse welvaart voor zichzelf en anderen” of “jij en ik schitteren samen”. Door de uitleg van dit principe is niet iedereen bezig met nut verwerven voor zichzelf, maar ook voor anderen. Een prachtige passage uit Mind over Muscle van Jigoro Kano licht dit verder toe. De vertaling is door Mitesco.

“Als mensen alleen zijn, kan het principe van seiryoku zen’yō zonder probleem worden toegepast, maar als er een groep van twee of meer personen is, hoeft er maar één persoon aanwezig te zijn die zelfzuchtig handelt om een conflict te hebben. Maar als alle leden van de groep zelfzucht vermijden, en handelen overeenkomstig de noden en omstandigheden van de andere personen in de groep, kan een conflict op een hele natuurlijke manier worden vermeden en harmonie worden bereikt. Conflict schept wederzijdse vernietiging, terwijl harmonie wederzijdse winst oplevert.

Dus, als een groep mensen samenleeft, kan men niet alleen vermijden om tegenover elkaar te komen staan, maar men kan elkaar ook helpen. Er zijn dingen die je niet alleen kunt doen, maar alleen samen met anderen. Voorts kunnen de deugden en sterke kanten van iemand alleen maar andere mensen aanvullen en stimuleren. Aldus brengt die situatie voordeel voor iedereen, iets wat ze alleen niet zouden hebben. Dat noemen we sojo sojou jita kyōei, wat betekent: onderlinge welvaart door wederzijdse hulp en toegeeflijkheid. Dat kan worden verkort tot jita kyōei. Om die reden kunnen we zeggen: als alle leden van een groep elkaar helpen en onzelfzuchtig handelen, kan de groep harmonieus zijn en als een eenheid opereren. Zo kan die groep zijn energie optimaal benutten, net als een individu. Dit principe blijft waar, ook in het geval van een complexe samenleving met miljoenen inwoners. Dus, als seiryoku zen’yō en jita kyōei worden gerealiseerd, zal het sociale leven zich natuurlijk blijven ontwikkelen en vooruitgaan, en als leden van die samenleving kan iedereen bereiken waarop ze hopen.” (Mind over Muscle, p. 70-71)

Bezieling en werk

In het artikel staat een prachtige uitspraak van Luyendijk: “Probeer een ziel maar eens in een target te vangen.” Dat is onmogelijk. Maar kan het principe jita kyōei houvast geven?

Vroeger hadden we religie als moraal. Nu veel mensen geloof hebben opgegeven of uitschakelen tijdens hun werk, missen we handvaten als naastenliefde en saamhorigheid. Misschien kan jita kyōei ons richting geven, zodat we nadenken als gemeenschap over wat we willen. Dan kunnen de cijfers weer dienen als middel in plaats van doel op zich. Of zoals het in het interview wordt gesteld: “Daarachter ligt de fundamentele vraag: zijn wij een gemeenschap, waarin we ook kunnen spreken over dingen als kwaliteit, schoonheid en rechtvaardigheid, of zijn wij puur een arena van productie en consumptie?”

Ik ben gelukkiger in mijn werk als ik mij richt op mensen, dan op cijfers. Ik kan me voorstellen dat veel bankiers, leraren, zorgverleners en andere werknemers hetzelfde voelen. Uiteindelijk denk ik dat wij als mensen altijd anderen willen helpen en daar geluk uithalen. Het is veel leuker leven in een omgeving met gelukkige mensen.

“We moeten ze knuffelen”

Het artikel sluit met nog een inspirerende uitspraak van Joris Luyendijk. Wellicht een invulling van jita kyōei. De medemens hulp bieden met begrip en knuffels.

“Want ze kijken dus op een amorele wijze naar hun eigen leven. Ze brengen de kwaliteit van hun leven terug tot meetbare kenmerken. Targets. Salaris, bonus, huis, auto. En bijna allemaal zeggen ze: dit is tijdelijk, straks ga ik een documentaire maken, een ngo beginnen, een zaak opzetten, een boek schrijven. Daarom zeg ik: we moeten ze knuffelen. Want ze leiden tragische levens.”